Wie zich, zoals ik, bijna 30 jaar bezighoudt met onderzoek en publicaties over werkplekproductiviteit, verbaast zich erover hoe constant een aantal factoren is gebleven, ondanks de enorme ontwikkeling die werkplekstrategie en -ontwerp hebben doorgemaakt.
Eind jaren negentig verrichtte dr. Barry Haynes, medeauteur van ons studieboek Corporate Real Estate Asset Management: Strategy and Implementation (2017), een van de eerste onderzoeken naar werkplekproductiviteit. In zijn promotieonderzoek bracht hij met een op perceptie gebaseerde enquête in kaart welke factoren de productiviteit het sterkst beïnvloeden. Die aanpak was de voorloper van latere instrumenten zoals de Leesman Index.
Het in 2007 gepubliceerde onderzoek, gebaseerd op een statistisch significante dataset en uitgevoerd met factoranalyse, stelde vast dat de twee zwaarstwegende gedragsvariabelen voor werkplekproductiviteit waren:
- Positieve invloed (Cronbach's alfa = 0,88): samenwerking en sociale interactie.
- Negatieve invloed (Cronbach's alfa = 0,8): onderbrekingen en geluid.
Dat is misschien weinig verrassend in een tijd waarin kantoren vooral bestonden uit afzonderlijke directiekamers of grote open werkvloeren, cubicles en andere one-size-fits-all-oplossingen.
Verrassend is wel dat deze twee variabelen, ondanks de beweging weg van de kantoortuin en het kantoor als machine richting hedendaagse activity-based working, in talrijke onderzoeken over de hele wereld de afgelopen 30 jaar de zwaarstwegende zijn gebleven.
In deze whitepaper volgen we een reeks onderzoeksresultaten die die consistentie laten zien, en stellen we de vraag: waarom is er zo weinig veranderd, ondanks de forse vooruitgang in werkplekstrategie en ABW-ontwerp?
